Met het naderen van de herfst loopt het tuinfeestjesseizoen op z’n eind. Godzijdank. Dé trend van dit jaar was hard-harder-hardst. Hoe verder het bereik over de wijk, hoe beter.
Waarom willen mensen dat toch zo graag: in een achtertuintje urenlang een muziekvolume opendraaien dat op een festivalpodium niet zou misstaan? Heeft dat te maken met het innemen van ruimte, met territoriumdrift? Of verkeert men in een existentiële crisis en zoekt men simpelweg bevestiging (ik veroorzaak geluidsoverlast, dus ik ben)?
Nog iets dat opvalt: bij dit type feestjes gaat het vrijwel áltijd om elektronische muziek (doef-doef-doef) of Nederlandstalige volkszangers. Waarom zijn het nooit Vivaldi, Haydn, Mozart of Rossini die over de achtertuinen schallen als er iemand wat te vieren heeft?
