‘Maar’ is een heel gewoon en onopvallend woordje, dat je supervaak hoort of zelf gebruikt. Scholieren leren dat het een ‘signaalwoord’ is om een tegenstelling aan te geven. Bijvoorbeeld: “Ik ben goed in Frans, maar begrijp niets van wiskunde.” Of je gebruikt het om aan te geven dat iets weinig is. Bijvoorbeeld: “Er zaten maar twee mensen in de bus.” Maar ‘maar’ heeft ook andere nuances, die minder makkelijk uit te leggen zijn. Wat denk je bijvoorbeeld van:
– Zeg jij het maar.
– Ik stap maar weer eens op.
– Nog een paar minuten in de oven, en dan smullen maar.
– Kijk maar even niet.
– Maar vertel, hoe was je date??
– Vergeet het maar!
